Genesis 32 · Leer de Bijbel

Genesis 32

Tekst uit de NBG (1951).

1
Ook Jakob ging zijns weegs, en engelen Gods ontmoetten hem.
2
Toen hij hen zag, zeide Jakob: Dit is een leger Gods. Daarom noemde hij die plaats Machanaïm.
3
En Jakob zond boden voor zich uit tot zijn broeder Esau, naar het land Seïr, het gebied van Edom.
4
En hij gebood hun: Zo zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. tot mijn heer, tot Esau, zeggen: Zo zegt uwVan jou/u (bezittelijk). knecht Jakob: ik heb als vreemdeling bij Laban vertoefd en ben daar tot nu toe gebleven.
5
En ik heb runderen, ezels en kleinvee, slaven en slavinnen verworven, en ik laat dit mijn heer meedelen om uwVan jou/u (bezittelijk). genegenheidWarm gevoel; liefdevolheid. te winnen.
6
De boden nu keerden tot Jakob terug en zeiden: Wij kwamen bij uwVan jou/u (bezittelijk). broeder, bij Esau, en hij is reedsAl; al eerder. op weg u tegemoet, met vierhonderd man bij zich.
7
Toen werd Jakob zeer bevreesdBang; vol angst. en het werd hem bang te moede; en hij verdeelde het volk dat bij hem was, en het kleinvee, de runderen en de kamelen in twee groepen.
8
WantOmdat; geeft een reden aan. hij dacht: Indien Esau op de ene groep afkomt en die verslaat, dan kan de groep die overblijft, ontkomen.
9
Toen zeide Jakob: O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaak, Here, die tot mij gezegd hebt: keer terug naar uwVan jou/u (bezittelijk). land en naar uwVan jou/u (bezittelijk). maagschap en Ik zal u weldoen –
10
ik ben te geringKlein; onbelangrijk. voor al de gunstbewijzen en voor al de trouw, die GijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. aan uwVan jou/u (bezittelijk). knecht bewezen hebt, wantOmdat; geeft een reden aan. met mijn staf trok ik over de Jordaan hier en nu ben ik tot twee legers gewordenGebeurd; ontstaan..
11
Red mij toch uit de hand van mijn broeder, uit de hand van Esau, wantOmdat; geeft een reden aan. ik ben bevreesdBang; vol angst. voor hem: misschien zal hij komen en mij verslaan, zowel moeder als kinderen.
12
GijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. toch hebt gezegd: Ik zal u zeker weldoen en uwVan jou/u (bezittelijk). nageslacht maken als het zand derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. zee, dat wegens de menigteGrote groep; veel mensen. niet geteld kan worden.
13
En hij bleef daar die nacht over.Toen nam hij van hetgeen hij verworven had een geschenk voor zijn broeder Esau:
14
tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen,
15
dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelhengsten.
16
En hij stelde ze onder de hoede van zijn slaven, elke kuddeGroep dieren; in de Bijbel vaak beeld voor Gods volk. afzonderlijk, en zeide tot zijn slaven: Trekt voor mij uit en laat ruimte tussen de verschillende kudden.
17
En hij gebood de voorste: Als mijn broeder Esau u ontmoet en u vraagt: van wie zijt gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”.? en waarheen gaat gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”.? en van wie is dat vee daar voor u uit?
18
zeg dan: van uwVan jou/u (bezittelijk). knecht, van Jakob; dit is een geschenk, gezonden aan mijn heer, aan Esau, en zie, hij komt ook zelf achter ons aan.
19
En hij gebood zowel de tweede als de derde en verder allen die achter de kudden liepen: AldusZo; op deze wijze. zult gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. tot Esau spreken, als gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. hem aantreft;
20
en gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. zult zeggen: ook uwVan jou/u (bezittelijk). knecht Jakob komt daar reedsAl; al eerder. achter ons aan. Hij dacht namelijk: Laat ik hem verzoenen met het geschenk dat voor mij uitgaat, en daarna wil ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mij goedgunstigWelwillend; vriendelijk. zijn.
21
AldusZo; op deze wijze. ging het geschenk vóór hem uit, maar zelf bleef hij die nacht in de legerplaats.
22
Toen stond hij in die nacht op, nam zijn beide vrouwen, zijn beide slavinnen en zijn elf zonen, en trok de doorwaadbare plaats van de Jabbok over;
23
hij nam hen en deed hen de beek overtrekken, en hij bracht alles wat hij had naar de overzijde.
24
Zo bleef Jakob alleen achter. En een man worstelde met hem, totdat de dag aanbrak.
25
Toen deze zag, dat hij hem niet overmocht, sloeg hij hem op zijn heupgewricht, zodatMet als gevolg dat; daardoor. Jakobs heupgewricht ontwricht werd, terwijl hij met hem worstelde.
26
Toen zeide hij: Laat mij gaan, wantOmdat; geeft een reden aan. de dageraad is gekomen. Maar hij zeide: Ik laat u niet gaan, tenzij gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. mij zegent.
27
Daarop zeide hij tot hem: Hoe is uwVan jou/u (bezittelijk). naam? En hij zeide: Jakob.
28
Toen zeide hij: UwVan jou/u (bezittelijk). naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, wantOmdat; geeft een reden aan. gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. hebt gestreden met God en mensen, en gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. hebt overmocht.
29
Daarop vroeg Jakob: Zeg mij toch uwVan jou/u (bezittelijk). naam. Maar hij antwoordde: Waarom vraagt gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. toch naar mijn naam? En hij zegende hem daar.
30
En Jakob noemde de plaats Pniël, wantOmdat; geeft een reden aan. (zeide hij) ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven.
31
En de zon ging over hem op, toen hij door Penuël getrokken was; en hij ging mank aan zijn heup.
32
Daarom eten de Israëlieten tot op heden de heupspier niet, die op het heupgewricht ligt, omdat Hij Jakob op het heupgewricht, aan de heupspier, geslagen had.