Genesis 8
Tekst uit de NBG (1951).
1
Toen gedacht God Noach en al het wild gedierte en al het vee, dat met hem in de arkGrote houten boot die Noach bouwde op Gods opdracht. was, en God deed een wind over de aarde strijken, zodatMet als gevolg dat; daardoor. de wateren daalden.
2
De kolken derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. waterdiepte en de sluizen desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. hemels werden toegesloten en de regen uit de hemel hield op,
3
en de wateren vloeiden gestadigVoortdurend; aanhoudend. van de aarde weg. AldusZo; op deze wijze. namen de wateren na verloop van honderd vijftig dagen af.
4
En in de zevende maand, op de zeventiende dag derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. maand, bleef de arkGrote houten boot die Noach bouwde op Gods opdracht. vastzitten op het gebergteHele reeks bergen; bergland. van Ararat.
5
En de wateren namen tot de tiende maand gestadigVoortdurend; aanhoudend. af; in de tiende maand, op de eerste derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. maand, werden de toppen derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. bergen zichtbaar.
6
Na verloop van veertig dagen opende Noach het venster, dat hij in de arkGrote houten boot die Noach bouwde op Gods opdracht. gemaakt had,
7
en hij liet een raaf uit, en deze vloog heen en weer, totdat de wateren van de aarde waren opgedroogd.
8
Daarna liet hij een duif uit om te zien, of de wateren afgenomen waren van de aardbodemDe grond, het oppervlak van de aarde..
9
DochMaar; echter. de duif vond geen rustplaats voor het hol van haar voet en keerde tot hem in de arkGrote houten boot die Noach bouwde op Gods opdracht. terug, omdat op de gehele aarde water was, en hij stak zijn hand uit, greep haar en bracht haar tot zich in de arkGrote houten boot die Noach bouwde op Gods opdracht..
10
Toen wachtte hij nog zeven dagen en hij liet de duif weer uit de arkGrote houten boot die Noach bouwde op Gods opdracht.;
11
tegen de avond kwam de duif bij hem, en zie, een vers olijfblad was in haar snavel. Hieraan bemerkte Noach, dat de wateren afgenomen waren van de aarde.
12
VoortsVerder; bovendien; wat nog meer gezegd wordt. wachtte hij nog zeven dagen en hij liet de duif uit, en zij keerde niet weer tot hem terug.
13
In het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste (maand), op de eerste derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. maand, waren de wateren opgedroogd van de aarde; daarop verwijderde Noach het luik van de arkGrote houten boot die Noach bouwde op Gods opdracht., en hij zag uit, en zie, de aardbodemDe grond, het oppervlak van de aarde. droogde op.
14
In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. maand, was de aarde droog.
15
En God sprak tot Noach:
16
Ga uit de arkGrote houten boot die Noach bouwde op Gods opdracht., gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. en uwVan jou/u (bezittelijk). vrouw en uwVan jou/u (bezittelijk). zonen en de vrouwen uwerVan u; wat bij u hoort. zonen met u;
17
doe al het gedierte dat met u is, van al wat leeft: het gevogelte, het vee en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, met u uitgaan, opdatZodat; met het doel dat. zij wemelen op de aarde, en vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.
18
Toen ging Noach uit, en zijn zonen en zijn vrouw en de vrouwen zijner zonen met hem.
19
Al het wild gedierte, al het kruipend gedierte en al het gevogelte, alles wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, ging uit de arkGrote houten boot die Noach bouwde op Gods opdracht..
20
En Noach bouwde een altaar voor de Here, en hij nam van al het reine vee en van al het reine gevogelte en bracht brandoffers op het altaar.
21
Toen de Here de liefelijke reuk rook, zeide de Here bij Zichzelf: Ik zal de aardbodemDe grond, het oppervlak van de aarde. niet weer vervloekenOver iemand een vloek uitspreken. om de mens, omdat het voortbrengsel van desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. mensen hart boos is van zijn jeugd aan, en Ik zal al wat leeft niet weer slaan, zoals Ik gedaan heb.
22
Voortaan zullen, zolang de aarde bestaat, zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, niet ophouden.