Matteüs 22 · Leer de Bijbel

Matteüs 22

Tekst uit de NBG (1951).

1
En Jezus antwoordde en sprak wederom in gelijkenissen tot hen en zeide:
2
Het Koninkrijk derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. hemelenHet koninkrijk van God. is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte.
3
En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen, dochMaar; echter. zij wilden niet komen.
4
Wederom zond hij andere slaven uit, met de boodschap: Zegt de genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft.
5
Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken.
6
De overigen grepen zijn slaven, en zij mishandelden en doodden hen.
7
En de koning werd toornigVol boosheidKwaadaardige houding; zonde.., en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand.
8
Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard.
9
Gaat daarom naar de kruispunten derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. wegen en nodigt allen, die gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. aantreft, tot de bruiloft.
10
En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechtenSlechte mensen of vijanden. als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.
11
Toen de koning binnentrad om hen, die aanlagen, te overzien, zag hij daar iemand, die geen bruiloftskleed aanhad.
12
En hij zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. hier gekomen zonder bruiloftskleed? En hij verstomde.
13
Toen zeide de koning tot de bedienden: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
14
WantOmdat; geeft een reden aan. velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
15
Toen gingen de FarizeeënJoodse religieuze groep. heen en beraadslaagden, hoe zij Hem in een strikvraag konden vangen.
16
En zij zonden tot Hem hun leerlingen, met de Herodianen, die zeiden: Meester, wij weten, dat GijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. waarachtigWaar; betrouwbaar. zijt en de weg Gods in waarheid leert en dat GijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. U aan niemand stoort; wantOmdat; geeft een reden aan. GijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. ziet de mensen niet naar de ogen.
17
Zeg ons dan, wat dunkt U? Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?
18
DochMaar; echter. Jezus doorzag hun valsheid en zeide: Wat verzoekt gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. Mij, huichelaars?
19
Toont Mij het geldstuk voor de belasting. Zij brachten Hem een schelling.
20
En Hij zeide tot hen: Wiens beeldenaar en opschrift is dit?
21
Zij zeiden: Van de keizer. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan de keizer wat desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. keizers is, en Gode wat Gods is.
22
Toen zij dit hoorden, verwonderden zij zich en zij lieten Hem verder ongemoeid en gingen weg.
23
Op die dag kwamen enige Sadduceeën tot Hem, die beweren, dat er geen opstanding is, en zij ondervroegen Hem,
24
en zij zeiden: Meester, Mozes heeft gezegd, indien iemand sterft zonder kinderen, zal zijn broeder diens vrouw trouwen en voor zijn broeder nakomelingschap verwekken.
25
Nu waren er bij ons zeven broeders. En de eerste huwde en stierf daarop, en daar hij geen nakomelingschap had, liet hij zijn vrouw na aan zijn broeder.
26
Eveneens de tweede en de derde tot de zevende toe.
27
Het laatst van allen stierf de vrouw.
28
Van wie van de zeven zal zij dan in de opstanding de vrouw zijn? WantOmdat; geeft een reden aan. allen hebben haar tot vrouw gehad.
29
Jezus antwoordde en zeide tot hen: GijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. dwaalt, wantOmdat; geeft een reden aan. gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. kent de Schriften niet noch de kracht Gods.
30
Immers, in de opstanding huwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel.
31
Wat nu de opstanding derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. doden betreft, hebt gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zeide:
32
Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaak, en de God van Jakob?
33
Hij is niet een God van doden, maar van levenden. En de scharen, die dat hoorden, stonden versteld over zijn leer.
34
Toen de FarizeeënJoodse religieuze groep. gehoord hadden, dat Hij de Sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen zij bijeen,
35
en één van hen, een wetgeleerde, vroeg, om Hem te verzoeken:
36
Meester, wat is het grote gebod in de wet?
37
Hij zeide tot hem: GijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. zult de Here, uwVan jou/u (bezittelijk). God, liefhebben met geheel uwVan jou/u (bezittelijk). hart en met geheel uwVan jou/u (bezittelijk). ziel en met geheel uwVan jou/u (bezittelijk). verstand.
38
Dit is het grote en eerste gebod.
39
Het tweede, daaraan gelijk, is: GijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. zult uwVan jou/u (bezittelijk). naaste liefhebben als uzelf.
40
Aan deze twee geboden hangt de ganseGehele; volledige. wet en de profeten.
41
Toen de FarizeeënJoodse religieuze groep. bijeen waren, vroeg Jezus hun,
42
zeggende: Wat dunkt u van de Christus? Wiens zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon.
43
Hij zeide tot hen: Hoe kan David Hem dan door de Geest zijn Here noemen, als hij zegt:
44
De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uwVan jou/u (bezittelijk). vijanden onder uwVan jou/u (bezittelijk). voeten gelegd heb.
45
Indien David Hem dus Here noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?
46
En niemand kon Hem daarop iets antwoorden en evenmin durfde iemand van die dag af Hem meer iets vragen.