Matteüs 9
Tekst uit de NBG (1951).
1
En in een schip gegaan zijnde, stak Hij over en Hij kwam in zijn eigen stad. En zie, men bracht een verlamde, op een bed liggende, tot Hem.
2
En daar Jezus hun geloof zag, zeide Hij tot de verlamde: Houd moed, mijn kind, uwVan jou/u (bezittelijk). zonden worden vergeven.
3
En zie, sommige derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: Deze lastert God.
4
En daar Jezus hun overleggingen kende, zeide Hij: Waarom overlegt gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. kwaad in uwVan jou/u (bezittelijk). hart?
5
WantOmdat; geeft een reden aan. wat is gemakkelijker, te zeggen: UwVan jou/u (bezittelijk). zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?
6
Maar, opdatZodat; met het doel dat. gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”. weten moogt, dat de Zoon desVan de; bezittelijke vorm, zoals in “des Heren”. mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven – toen zeide Hij tot de verlamde: Sta op, neem uwVan jou/u (bezittelijk). bed op en ga naar uwVan jou/u (bezittelijk). huis.
7
En hij stond op en ging naar huis.
8
Toen de scharen dit zagen, vreesden zij en zij verheerlijkten God, die zulk een macht aan de mensen gegeven had.
9
En vandaar verder gaande zag Jezus iemand bij het tolhuis zitten, Matteüs genaamd, en Hij zeide tot hem: Volg Mij. En hij stond op en volgde Hem.
10
En het geschiedde toen Hij in het huis aanlag, zie, vele tollenaars en zondaars kwamen en lagen mede aan met Jezus en zijn discipelen.
11
En toen de FarizeeënJoodse religieuze groep. dit zagen, zeiden zij tot zijn discipelen: Waarom eet uwVan jou/u (bezittelijk). meester met de tollenaars en zondaars?
12
Hij hoorde het en zeide: Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheerArts; iemand die geneest. nodig, maar zij, die ziek zijn.
13
Gaat heen en leert, wat het betekent: BarmhartigheidDiepe bewogenheid die tot hulp leidt. wil Ik en geen offerandeOffer dat aan God wordt gebracht.; wantOmdat; geeft een reden aan. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigenMensen die naar Gods wil leven. te roepen, maar zondaars.
14
Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem en vroegen: Waarom vasten wij en de FarizeeënJoodse religieuze groep. wèl, maar uwVan jou/u (bezittelijk). discipelen niet?
15
Jezus zeide tot hen: Kunnen soms bruiloftsgasten treuren, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is, en dan zullen zij vasten.
16
En niemand zet een niet-gekrompen lap op een oud kledingstuk; wantOmdat; geeft een reden aan. de ingezette lap scheurt iets af van het kledingstuk en de scheur wordt erger.
17
Ook doet men jonge wijn niet in oude zakken; anders barsten de zakken en de wijn loopt weg en de zakken gaan verloren; maar men doet jonge wijn in nieuwe zakken en beide blijven samen behouden.
18
Terwijl Hij dit tot hen sprak, zie, een overste (derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. synagoge) kwam tot Hem en viel voor Hem neder, en zeide: Mijn dochter is zo juist gestorven, maar kom en leg uwVan jou/u (bezittelijk). hand op haar en zij zal leven.
19
En Jezus stond op en volgde hem met zijn discipelen.
20
En zie, een vrouw, die reedsAl; al eerder. twaalf jaren aan bloedvloeiingen leed, kwam van achteren tot Hem en raakte de kwast van zijn kleed aan.
21
WantOmdat; geeft een reden aan., zeide zij bij zichzelf, indien ik slechts zijn kleed aanraak, zal ik behouden zijn.
22
Maar Jezus keerde Zich om, zag haar en zeide: Houd moed, dochter, uwVan jou/u (bezittelijk). geloof heeft u behouden. En de vrouw was behouden van dat ogenblik af.
23
En toen Jezus in het huis van de overste kwam en de fluitspelers en het misbaar van de schareGrote groep mensen. zag,
24
zeide Hij: Gaat heen, wantOmdat; geeft een reden aan. het meisje is niet gestorven, maar het slaapt. En zij lachten Hem uit.
25
Toen de schareGrote groep mensen. uitgedreven was, ging Hij binnen en vatte haar hand en het meisje ontwaakte.
26
En de roep hierover verbreidde zich in die gehele streek.
27
En terwijl Jezus vandaar verder ging, volgden Hem twee blinden, al roepende en zeggende: Heb medelijden met ons, Zoon van David!
28
En toen Hij het huis was binnengegaan, kwamen de blinden tot Hem, en Jezus zeide tot hen: Gelooft gijJij; oude vorm voor “jij/jullie”., dat Ik dit doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Here.
29
Toen raakte Hij hun ogen aan en zeide: U geschiede naar uwVan jou/u (bezittelijk). geloof.
30
En hun ogen gingen open. En Jezus verbood hun ten strengste en zeide: Ziet toe, niemand mag dit weten!
31
Maar zij gingen heen en maakten Hem in die gehele streek bekend.
32
Terwijl zij heengingen, zie, men bracht een doofstomme bezetene bij Hem.
33
En nadat de boze geest was uitgedreven, sprak de doofstomme. En de scharen verbaasden zich en zeiden: Zo iets is nog nooit in Israël voorgekomen!
34
Maar de FarizeeënJoodse religieuze groep. zeiden: Door de overste derVan de (vrouwelijk/meervoud), zoals in “der volkeren”. boze geestenDemonen; gevallen geesten die tegen God ingaan. drijft Hij de geesten uit.
35
En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelieBlijde boodschap van Jezus Christus. van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal.
36
Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontfermingMedelijden, barmhartigheidDiepe bewogenheid die tot hulp leidt.. over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgematHeel erg moe en uitgeput. waren, als schapen die geen herderIemand die voor schapen zorgt; in de Bijbel beeld voor een leider. hebben.
37
Toen zeide Hij tot zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig.
38
Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst.